Verhalen binnen dramatherapie

Amy Bodde

Creatieve Therapie

Jan. 2005-01-18

 

Inleiding

 

Sinds mijn stage voor de studie dramatherapie ben ik mij gaan interesseren voor verhalen binnen therapie en de werking hiervan. Ik loop stage op een LOM- school vanaf september en werk vooral individueel met kinderen tussen de 6 en 13 jaar. De kinderen die ik behandel hebben uiteenlopende sociaal-emotionele problemen.

Het keuzevak beeldcommunicatie heeft mijn interesse voor verhalen als middel versterkt. Het heeft mij aangespoord meer te lezen over narratieve therapie, gezien dit een werkbare methode is binnen dramatherapie. Een kind kan hier alles in kwijt, is vrij zijn gedachten en gevoelens binnen het verhaal te plaatsen op veilige manier. Zo hoeft een kind niet direct over zijn problemen te praten, maar vertaalt dit onbewust in het verhaal door symbolen. Een kind heeft de mogelijkheid zijn verhaal kwijt te kunnen op spelende/ verzinnende wijze. Dramatherapie biedt hiernaast de mogelijkheid het verhaal ook uit te spelen, waarin het kind zijn gevoelens in spel kan uiten op veilige manier.

Tijdens het werken aan dit verslag ben ik mij gaan orienteren hoe narratieve therapie voor verschillende therapeuten werkt: wat zijn de therapeutische functies, hoe kan de methode in zijn werk gaan, wat zijn de voorwaarden. Vervolgens kan ik inschatten in hoeverre de methode geschikt is voor het kind en hoe ik dit het beste kan aanbieden.

 

Verhalen en algemene functies

 

Verhalen zijn er al sinds de mens bestaat en maken dus deel uit van het menselijk bestaan.

Verhalen hebben uiteenlopende functies. Het lijkt me relevant hierbij kort stil te staan voordat ik functies in een therapeutisch kader plaats.

Olthof, een psychotherapeut, beschrijft in ĎDe mens als verhaalí de volgende functies:

-ordening: een verhaal kan een logisch verband aanbrengen in een veelheid aan gebeurtenissen, waardoor er meer duidelijkheid kan ontstaan wat het begrip ten goede komt

-zingeving: door een verhaal kan er betekenis gegeven worden aan gebeurtenissen en met de betekenissen creeren we een zinvol levensperspectief. Gebeurtenissen worden geplaatst in een context, waardoor de inhoud beter te begrijpen is.

Olthof geeft naast de functies die hij beschrijft een heel persoonlijke visie weer van verhalen en de manier waarop zij verbonden zijn met de mens. Zijn visie is dat de mens en zijn verhaal onlosmakend met elkaar verbonden zijn. De mens verricht handelingen; veroorzaakt of ondergaat en heeft hierbij een rol in het eigen verhaal (over persoonlijk meegemaakte gebeurtenissen).

Gersie en King, beiden werkzaam in therapie en onderwijs, hebben tevens een aantal functies genoemd die verhalen voor de mens kunnen hebben. Deze functies zijn: prikkeling van de fantasie en voorstellingsvermogen, ontspanning, troost, hoop en inspiratie. Het kan dus een afleidende functie hebben, het creatief vermogen vergroten, oplossingen aanreiken door positieve uitkomsten van bepaalde situaties enz.

 

Door deze functies blijkt dat verhalen zinvol zijn in het algemeen menselijk bestaan.

 

 

 

Verhalen in therapeutische zin

 

Specifiek therapeutische functies van verhalen worden door verschillende therapeuten beschreven.

ĎVeenbaasí is een van hen. Hij beschrijft in zijn boek ĎOp verhaal komení de functie contact.

Ten eerste is een verhaal een manier om contact te kunnen maken met de cliŽnt: het verzonnen verhaal is een middel dat tussen hen instaat. Er is altijd een verteller en een luisteraar, bezig met het verhaal dat centraal staat.

Ten tweede is een verhaal voor de cliŽnt een middel om contact te leggen met zichzelf. Een verhaal wat door de therapeut verteld wordt kan associaties oproepen die de cliŽnt onbewust in contact brengen met elementen van zijn eigen persoonlijke verhaal. Deze ontmoeting maakt de cliŽnt bekend met delen van zijn leven of persoonlijkheid die tot nu toe onbekend waren, waardoor hij als dat nodig is, ze beter kan leren hanteren. Contact maken met het wereldbeeld van de cliŽnt is hierbij een voorwaarde.

Een andere specifieke functie is dat je d.m.v. een verhaal een boodschap mee kan geven aan de cliŽnt. Gardner (1986, p 25-31) werkt op een hele directe manier met deze boodschappen; hij laat een cliŽnt eerst zelf een verhaal maken, waarbij aan het einde ook de moraal gegeven moet worden. De cliŽnt is zo op een heel directe manier bezig met wat het verhaal voor hem betekent, omdat hij daar zelf ook bewust over moet nadenken. Vervolgens maakt Gardner zelf een verhaal met dezelfde boodschappen als in het verhaal van de cliŽnt en verwerkt hier zijn therapeutische boodschappen in. Voor de therapeut is het hierbij noodzaak om in de beleveniswereld te kruipen van het kind. Hierdoor heeft hij kennis van voor het kind moeilijke situaties of emoties, die hij in het verhaal wel of juist niet kan meenemen. De kennis van de ontwikkeling van kinderen in het algemeen en het taalgebruik is hierbij tevens van belang.

Naar mijn idee is het veiligheid scheppen door met verhalen te werken een aanvullende therapeutische functie. Een verzonnen verhaal is opgebouwd uit een wereld van fantasie, die afstand schept van de realiteit. Deze afstand schept veel vrijheid om het eigen verhaal vorm te geven, zonder grenzen.

 

Manieren van werken

 

De manier waarop verhalen in therapie aan de orde komen kan heel verschillend zijn. Hieronder maak ik een korte beschrijving van manieren die aansluiten bij de doelgroep waarmee ik werk.

 

Olthof (1994) werkt individueel, met zowel volwassenen als kinderen. Hij beschrijft een methode waarin het verhaal gemaakt wordt door de therapeut zelf. Samen met het team wat bij de cliŽnt betrokken is laat hij zich inspireren door diens levensomstandigheden. Alle beelden, fantasieŽn en associaties die hierbij worden opgeroepen worden geordend tot 1 of meerdere themaís die de basis gaan vormen voor een verhaal. Dit verhaal wordt vertelt aan de cliŽnt, waarna er op verschillende manieren mee gewerkt wordt. Bijvoorbeeld door het verhaal te tekenen of te schilderen.

 

Gardner heeft een methode ontwikkelt speciaal voor kinderen individueel: Ďde Mutual Storytelling Techniqueí. Hierin laat de therapeut de cliŽnt eerst zelf zijn verhaal verzinnen en vertellen. Vervolgens vertelt hij een tegenverhaal dat is opgebouwd uit dezelfde elementen van dit verhaal of verandert worden in de richting van een therapeutisch bevredigende richting of afloop. Het verhaal van de client wordt niet geduid, waardoor het praten over de problemen omzeild wordt. Van het vertellen zelf maakt Gardner een spel: bijvoorbeeld een televisieprogramma waarin iemand wordt uitgenodigd om een verhaaltje te vertellen in ĎDr. Gardners verhalenshowí. Hierbij helpt hij de kinderen zondig op weg met behulp van vragen.

 

Wrobel (1991) is creatief therapeute drama en werkt met kinderen, zowel individueel als in groepen. Zij maakt zelf verhalen voor de client met daarin veel herkenningssituaties en rollen waarmee het kind zich kan identificeren. Soms laat ze de client zelf meer invloed uitoefenen op de inhoud van het verhaal. Zijbedenkt dan het begin van het verhaal wat de client mag afmaken. Hierdoor kan deze ook zijn eigen verhaal er in kwijt. De gemaakte verhalen worden verder uitgediept d.m.v. bijvoorbeeld toneelspel of schilderen. Door reflectie op het verhaal

legt zij verband met (delen van) het eigen levensverhaal van de client.

 

Gersie maakt gebruik van verhalen uit mondelinge traditie/ overlevering en nieuw gemaakte fictieve sprookjes. Voorbeeld om een nieuw, fictief verhaal te maken: in welk landschap zal het zich afspelen, wat voor soort woning kan je zien in het landschap, wat of wat leeft er in die woning, wat wil dit personage op dit moment heel erg graag, welke moeilijke kwestie maakt deze persoon nu mee, wie komt onverwachts hulp bieden, wat is het einde van het

Verhaal?

 

ĎVan der Wijkí laat het kind uit wie-wat-waar Ėkaartjes er drie kiezen en laat het kind zo een verhaal maken, of maakt gebruik van begin- en eindzinnen (op kaartjes).

 

Michele van der Steenstraten van der ploeg (dramtherapeut) begint met het spelen van een scene waarbij het kind op het punt van de crisis het verhaal moet afmaken.

 

D. Singer laat een kind uit plaatjes kiezen. Hij laat gedachten, gevoelens intenties en motieven van personages verzinnen. Hij laat ze bedenken wat eraan vooraf is gegaan en dat er dan zou kunnen gebeuren.

Wanneer kinderen of volwassen in aanmerking komen voor verhalen in therapie, zitten hier een aantal voorwaarden aan vast. Niet iedere therapeut denkt hier hetzelfde over.

Voor Gardner is een voorwaarde dat kinderen onderscheid kunnen maken tussen fantasie en realiteit. Wrobel geeft aan dat vele clienten voor haar methodiek in aanmerking komen. De client moet in staat zijn te luisteren, over een bepaald concentratievermogen/ taalvermogen beschikken, een zekere mate van beeldvorming en creatieve vermogens ontwikkeld hebben en over voldoende cognitieve en verbale vermogens beschikken.

 

Slotwoord

 

Tijdens het werken aan dit artikel heb ik binnen de literatuur verschillende therapeuten gevolgd. Ik stond stil bij de betekenis van verhalen binnen therapie en hoe dit in zijn werk gaat.

Door hierover te lezen en het op een rijtje te zetten heb ik meer inzicht verworven over verhalen binnen therapie. Binnen stage pas ik dit toe door bijvoorbeeld thematische dialogen te schrijven waarbij het kind de afloop bedenkt. Ik speel verhalen die bij de wereld bij het kind passen en sta stil bij wat het kind binnen spel en verhalen heeft te vertellen.

Zelf koppel ik wat in spel gebeurd meestal niet terug naar de werkelijkheid. Dit kan bij kinderen juist blokkerend werken, de situatie komt te dichtbij.

Wat ik aanbiedt, relateer ik aan de behoeften en mogelijkheden van het kind: wil het kind zelf veel verzinnen of niet, heeft het kind veel structuur nodig of kan het bepaalde lijnen vasthouden, heeft het kind voldoende creatieve vermogens enz.