De systemische optiek

Frans Boeckhorst

Samenvatting Paul Berkers

 

23 februari 2004

Een typering van de systemische optiek.

Van gerichtheid op individu naar systemische optiek. Gedrag was een  product van intra-psychische krachten en energieen en nu wordt gedrag een informatie waarde toegekend.

Interactie is een uitwisseling van boodschappen waarin de betrekking tussen mensen tot uitdrukking komt.

 

Systemisch denken = contextueel denken.

Systemisch denken > concept richt zich op wisselwerking tussen gedragingen, in circulaire termen, samenhang is zichtbaar in herhalende patronen.

 

4 betekenissen:

1) Systemisch denken verwijst naar een ‘wereldbeschouwing’
            (wereld als 1 groot organisme)

2) systemisch denken > Algemene Systeem Theorie.
            = metatheorie, beschrijft overeenkomsten tussen biologische, technische, fysisch-                     chemische en sociale systemen.

3) Methodische optiek > stelsel van uitgangspunten, methoden en technieken, dienen om                                   georganiseerde complexiteit van verzameling te bestuderen + in structuur schema                   zichtbaar te maken.

4) Therapie model > therapeutische principes, methoden + technieken.

 

Bateson > Palo Alto > Relaties tussen mensen beter beschreven kunnen worden in processen en communicatie patronen dan in psychische krachten en energieen.

 

1980 Filosofisch constructivisme.

Vraagstuk van de “werkelijkheid”.  Breuk met de “objectiveerbare” werkelijkheid. Nu een “subjectieve” waarnemer, die selecteert en ordent op actieve wijze!!

 

Maturana: een gezinssysteem reguleert zichzelf en houdt zichzelf in stand, en het wordt niet van buitenaf geprogrammeerd en bestuurd (autopoiese).

Richt zich dus op de rol van de waarnemer.

 

Een systeem is een mentale voorstelling die ontstaat doordat een waarnemer bepaalde verschijnselen van elkaar onderscheidt, categoriseert en ordent tot een voorstelling die hij ‘systeem’ noemt. De waarnemer speelt een centrale rol bij het construeren van zo’n mentale voorstelling.

 

Algemene systeem theorie (AST) – von Bertalanffy

Sturingsprocessen in systemen: met terugkoppelingsprocessen handhaaft het een evenwicht en organiseert zichzelf.

Communicatie = sturingsprocessen, feedback, homeostase, equifinaliteit (interacties leiden tot hetzelfde resultaat)

Circulair feed-back systeem (homeostase)

Relatieboodschappen (bevelsaspect).

 

Cybernetisch systeem model:

Klacht of probleem in verband brengen met bepaalde relatiestructuren of stelsel van regels.

Alle therapeutische interventies zijn vorm van herstructurering, waarbij vicieus patroon wordt onderbroken + relaties gecorrigeerd.

 

Cognitieve systeem model

Cybernetisch model: Pragmatische aspecten > gedrag heeft effect op anderen + op verloop van de interactie.

Ze negeren het semantische communicatie aspect.

Cognitieve model: Semantische aspect centraal.

Beelden , cognities, denkschema’s, symbolische representaties                                   

(innerlijke landkaart + ecologie van ideeen)

Overeenkomst met het filosofisch constructivisme, de mens construeert subjectief en   actief de werkelijkheid, tot een betekenisvolle ‘gestalt’.

 

Cognitief systemisch: collectieve karakter van cognitieve sschema’s van de leden van een systeem.

Individu wordt in zijn sociale context van meet af aan ingelijfd in een bepaalde wijze van “worldmaking”= codes, waarden, normen, begrippen en verklaringen.

Klachten worden onderhouden door collectieve interpretatieschema’s

 

*Therapeutische interventies: Reframing en heretikettering + circulaire intervieuwtechnieken.

Onderzoek van            -zelf en relatieomschrijvingen

                                   -interpunctiegewoonten.

                                   -interpretatieschema’s

                                   -collectieve ideeenstelsel

 

2e Orde circulair:          Therapeut is geen expert, sluit aan bij de visie van de client. Daarvoor is circulair vragen belangrijk i.t.t. rechtstreeks nastreven van verandering en geven van directieven.

 

Linguistisch model (5-14)

Communicatie als medium.

Niet pragmatisch, semantisch, maar het talige aspect is belangrijk. Het sociale systeem als linguistisch systeem.

Door gedrag op een bepaalde manier te benoemen, definieert men het tot een probleem.

Probleemdefinitie hangt samen met heersende culturele opvattingen, waarden, normen, mensbeelden.

Een symptoom wordt niet in verband gebracht met een dysfunctionele structuur maar met de heersende conversatie.

 

*Therapeutische interventies:

Taalspel, klachten her-benoemen, + herordening in omschrijvingen. (5-16)

Therapeut schenkt aandacht aan vocabulaire van gezinsleden, onderzoekt interpretatiecodes en motieven. Vertragen door bevragend ‘rondcirkelen in taal’ maakt alle deelnemers bewust van hun vanzelfsprekendheden.

Therapie is ook vorm van taalonderzoek. Ze pluizen uit hoe betekenistgeving door taal wordt geconditioneerd.

Narratief-constructionistische model.

 

Cybernetisch is a-historisch.

Narratief = tijdskader, geschiedenis is relevant. Ervaringen rangschikken in tijd.

Narratief denken = verhalende logica > door beelden, metaforen, en scenes te tonen.

Elk gezinssysteem heeft zijn “narratieve” structuur.

Veelvormige omschrijvingen.

 

*Therapeutische interventies:

-wat zijn de dominante en de inperkende verhalen (thin or rich stories)

-incoherenties opsporen (meer samenhang, oplossen van tegenstrijdigheden en dilemma’s)

-ruimte scheppen voor nieuwe opties en betekenisgeving. (andere vertelperspectieven).

 

Constructionisme: (5-18)

 

Evenals constructivisme veronderstelt het sociaal constructionisme dat we nooit een objectieve werkelijkheid tonen.

Sociaal constructionisme benadrukt de sociale processen waarin wij een voorstelling van de werkelijkheid construeren.

Onstaat in conversaties, gezamenlijke denkbeelden.

Benadrukt de rol van de taal in het scheppen van werkelijkheid. Taal is vorm van handelen, verschijnselen actief en selectief ordenen, categoriseren en interpreteren + denkraam ontwerpen om de wereld te begrijpen.

Discours + elke taal- , denk- en gedragsgewoonten die op bepaalde ideeen en waarden berusten.

Inclusief wetten, regels, procedures en culturele codes en sociaal culturele context.

 

Berger en Luckman.  Gergen is actueel. > Denkbeelden over ‘identiteit’, zelf, relatie en gezin ingebed in sociale en culturele vertogen.

 

Sociaal constructionisme sluit aan bij de narratieve benadering.

Het discours heeft een narratieve vorm. In de verhalen liggen culturele opvattingen besloten over wat normaal en wat afwijken is, over therapie en expertrol.

 

Een sociaal systeem is een subjectieve constructie, door een waarnemer gemaakt = het perspectief van de waarnemer, zijn concepten  en zijn taal.

Narratief constructionisme betekent: Onze constructies zijn sociaal van aard en in conversaties onststaan.

Daarom een meervoudige beschrijving voor complexe vraagstukken.


Kernprocessen voor de Systemische Praktijk.

 

Therapeutische context: (5-21)

Therapeutische relatie:

Door aansluiten bij visies en ervaringen van de leden van het client systeem en te accomoderen aan hun affectieve en communicatieve stijl.

De manoeuvreerruimte:

Mag de therapeut de leiding nemen + welke ruimte krijgt hij om ander visies en interpretaties van het gepresenteerde probleem in te voeren.

De hulpvraag:

Geeft mede vorm aan samenwerking tussen de therapeut en leden van een systeem.

 

Therapeut als onderdeel van het therapeutisch systeem:

De zelfbetrokkenheid van de therapeut maakt dat hij voortdurend dient te reflecteren over eigen perspectief en handelen.

Welke rollen en functies worden hem door de communicatie en door de omgangsvormen van de systeemleden opgelegd.

 

Diagnostiek:

Niet te scheiden van interventie.

Problemen niet classificeren in termen van psychische defecten en tekortkomingen.

Hier reeds problemen in relationele termen vertalen, problemen niet als vaste eigenschappen of kenmerken benoemen maar vloeibaar houden.

Door interacties en processen te benadrukken en problemen niet in personen maar in communicatie en in situaties te lokaliseren.

Continue uitwisseling en terugkoppeling van visies en definities tussen systeemleden en therapeut genereert steeds nieuwe definities.

Zo ontstaat een co-constructie die focus voor de therapeutische interventies wordt.

 

De contextuele samenhang.

 

Van meet af aan zoekt de systeem therapeut naar een verbindend patroon, naar samenhang tussen het gepresenteerde probleem en de context.

5 Componenten kunnen hierbij een rol spelen:

1.      De omstandigheden. Alle somatische, biologische, en fysieke omstandigheden, ook woon-, werkomstandigheden, sociale laag, financien.

2.      Relevante personen buiten het sociale systeem, die betrokken zijn bij de definiering en oplossing van het probleem. Bijvoorbeeld (vorige) hulpverleners en de verwijzer.

3.      Het collectieve ideeenstelsel. De leden van een systeem ontwikkelen een gezamenlijke visie op de werkelijkheid, die in de onderlinge communicatie als een soort van scenario wordt doorgegeven, gecorrigeerd en bijgesteld. Deze visie vormt een fundamenteel stelsel van waarden, opinies, overtuigingen, verwachtingen en interpuncties dat de mentale context bepaalt waarin de leden nieuwe situaties en gebeurtenissen interpreteren.

4.      De observeerbare omgangsgewoonten. Sociale systemen ontwikkelen een bepaalde communicatiestijl en observeerbare omgangsgewoonten, rituelen en gebruiken die de context vormen voor het verdere verloop van de omgang met elkaar.

5.      De ontwikkelingsgeschiedenis. Een sociaal systeem wordt zowel door stabiliteit (regels, omgangscodes) als door ontwikkeling gekenmerkt. Ontwikkeling op gang gebracht door stresserende gebeurtenissen, die gevestigde regels en patronen verstoren. Welke mogelijkheden hebben de systeemleden ontwikkeld om met stresserende gebeurtenissen van binnen of van buiten het systeem om te gaan om ruimte te maken voor zowel individuele als collectieve ontwikkeling.

De systemisch gerichte therapeut kan naar een verbindend patroon zoeken tussen deze 5 componenten.

Ook als het gaat om een psychiatrische ziekte zal de aandacht gericht blijven op de samenhang tussen deze ziekte, de omstandigheden, de geschiedenis van ideeen en omgangsgewoonten en de ontwikkeling van de betrekkingen.

 

De verbindende patronen die een systeemtherapeut zoekt zal hij steeds in circulaire termen beschrijven.

Hiervoor kan hij kiezen uit de vier hiervoor genoemde theoretische perspectieven.

Het cybernetisch perspectief ,terugkoppelingsprocessen en wisselwerking in observeerbaar gedrag.

Het cognitieve perspectief , thema’s die verwijzen naar opvattingen en verwachtingen van systeemleden over betrekkingen. De fundamentele waarden en codes waarin ze verankerd liggen.

Het linguistische perspectief, let op de herhaling in de talige uitwisselingigen. De taal en het vocabulaire van de systeemleden, de uitdrukkingen en gezegden, symbolen, metaforen en interpunctiegewoonten.

Het narratief-constructionistische perspectief, welke gebeurtenissen worden steeds op de voorgrond gezet en negatief geetiketteerd (thin stories).

 

Het therapeutisch scharnierpunt.

 

In complexe terugkoppelingsprocessen moet je weten te vereenvoudigen.(5-25)

q       Therapeut richt zich op die communicatieve uitwisselingen waarin een probleem door de systeemleden opgeroepen en onderhouden wordt.
Bepaalt ook welke personen wel en niet relevant zijn voor de dynamiek van deze uitwisseling.

q       Therapeut richt zich op de faseovergangen en op de breuken in de relaties. De dynamiek van de onderlinge betrekkingen, het stelsel van impliciete codes en regels en de oplossingsstrategieen van de systeemleden worden dan het duidelijkst.

q       Het impassepatroon, dit ontstaat wanneer het de systeemleden niet lukt om zich als antwoord op externe of interne stresserende gebeurtenissen te reorganiseren.

1.1.      Er is een voortdurende herhaling van pijnlijke interactionele incidenten en escalaties die leiden tot vicieuze cirkels.

1.2.      Een klacht of probleem staat centraal  in de dynamiek.

1.3.      Individuele systeemleden kunnen geen sturing meer geven aan deze dynamiek om het verloop te veranderen.

1.4.      Het patroon is dominant in de onderlinge omgang.

1.5.      Impassepatronen houden gezinsleden gevangen in bepaalde rollen, functies en regels en leveren steevast het zelfde onbevredigende resultaat op.

1.      Isomorfie, de therapeut kan zich richten op overeenkomsten en gelijkenissen in allerlei processen. Deze overeenkomsten kunnen letterlijk of symbolisch van aard zijn.

 


Therapeutische veranderingsprocessen.

 

Het doel van de systeemtherapeut is het impasse patroon, waarin de systeemleden gevangen zitten, te interrumperen.

Daarnaast poogt hij de ontwikkeling van nieuwe en constructieve relatievormen te stimuleren.

Dit heeft betrekking op de individuele leden als op het systeem als eenheid.

 

4 opvattingen voor het ontwerpen van een therapeutisch veranderingsproces.

 

1.      Verandering is een proces dat rationeel en doelgericht te plannen en te beheersen is.
Samen met de client doelen ontwikkelen en strategie ontwerpen (impasse interrumperen, relaties herstructureren, motiveren, aansluiten en engageren.

2.      verandering is een grillig proces dat niet van buitenaf te beinvloeden is.
Benadrukt de zelfregulering en creativiteit van een systeem en de onmogelijkheid om die middels instructies te beinvloeden. Therapeut ‘ontwerpt’ een omgeving waarin het systeem zichzelf kan organiseren.
Het ‘therapeutisch’ gebruiken van zichzelf speelt een belangrijke rol.

3.      Verandering vloeit voort uit crisis, die de leden dwingen zichzelf en hun relaties opnieuw te organiseren.
Crisis is een kans voor verandering.

4.      Verandering vloeit voort uit reflectie en dialoog.
Therapeut richt zich op dominante beelden en verhalen. Zijn rol is dat hij een conversatie opzet die leden helpt het interne theater van hun denken, beelden en interpretatieschema’s te onderzoeken en daarover te reflecteren.

 

 

Systeemtherapeut veronderstelt dat er geen individueel zelf bestaat,

los van de context en de interactie met anderen.