Verhalen, conversatie en dialoog.

Samenvatting Door © PAUL BERKERSVan Samen in Therapie door Peter ROBER

Verhalen zijn sociale constructies. Verhalen zijn geen afspiegeling van de werkelijkheid, maar ontstaan in dialoog met de sociale context. Het narratieve paradigma in het werken met systemen.

Therapie, contact wordt gezien als een taalgebeuren: therapie is een gesprek waarin de therapeut respectvol luistert naar de verhalen van de cliŽnten, en ruimte maakt voor wat nog niet gezegd is (the not yet said). De therapeut wil niet de Ďechte werkelijkheidí achterhalen.

Michael White spreekt over de therapeut en de gezinsleden als co-authors. Hij bedoelt dat de cliŽnt (systeem) en de therapeut in de therapie samen een nieuw verhaal maken, een verhaal dat een betere toekomst mogelijk maakt.

Lyn Hoffman stelt voor dat de systeem therapeut zijn attitude van alwetende objectieve observator laat varen en zich zou engageren in een dialoog met het gezin waarin samenwerking centraal staat.

 

Sociaal constructionisme

 

Waarheid bestaat niet, er zijn slechts verhalen over waarheid, die worden gecreŽerd in dialoog.

De sociaal constructionist Kenneth Gergen schreef het artikel ďIs diagnosis a disaster?Ē. Daarin maakt Gergen zijn bezorgdheid kenbaar over het groeiende belang dat in de samenleving gehecht wordt aan psychiatrische diagnoses.

Hij stelt dat daardoor een Ďmental deficit terminologyí ingeburgerd raakt: mensen worden geclassificeerd in termen van Ďgebrekení. De terminologie breidt zich in de loop van de decennia uit, de DSM I uit 1952 benoemde zoín 60 diagnoses, in de DSM III waren er dat al zoín 200.

Al deze termen worden overgenomen door het grote publiek via de media en ze worden gepresenteerd als de woorden van de Ďexpertsí.

De vraag kan gesteld worden wat het effect daarvan is op de manier waarop mensen naar zichzelf kijken en naar de naar de mensen om zich heen.

De taal van de pathologie maakt mensen afhankelijk van experts die het allemaal zouden weten.

Het sociaal constructionisme stelt ons voor de opdracht te zoeken naar een nieuwe professionele taal.

Hoe kunnen we spreken over relaties zonder de cliŽnten passief te maken of hen uit te nodigen zich afhankelijk op te stellen tegenover ons?

Hoe kunnen we over het lijden van onze cliŽnten spreken zonder hen vast te pinnen op hun tekorten of deficits?

Hoe kunnen we over therapie spreken op een manier die de waardigheid en de mogelijkheden van alle betrokkenen maximaliseert?

Deze vragen zijn belangrijk, ze wijzen ons opde invloed die wij als professionals hebben op de wijze waarop mensen zichzelf en hun naasten beleven en beschrijven. Daarmee bepalen wij mede welke verhalen onze cliŽnten vertellen en hoe ze die verhalen vertellen, en dat mogen we niet uit het oog verliezen.

 

Het postmodernisme.

 

De omschrijving van de postmoderne filosoof Jean Francois Lyotard geeft enig houvast voor het begrip postmodernisme. Hij stelt dat postmodernisme verwijst naar een wantrouwen tegenover de metavertellingen die aanspraak maken op universele geldigheid. Dit betekent dat een postmodern denker niet gelooft dat ťťn theorie heel de complexiteit van de werkelijkheid kan vatten.

Psychotherapie is traditioneel een modernistisch onderneming. De therapeut tracht observeerbare fenomenen (symptomen) te verklaren door te zoeken naar hun verborgen structuur.

Structurele gezinstherapeuten stellen bijv. dat de gezinsstructuur, observeerbaar uit de gezinsinteracties, de essentie van gezinsfunctioneren is. Contextuele therapeuten zien onzichtbare loyaliteiten als de essentie van het gezinsfunctioneren. Selvini-Palazzoli stelt dat verborgen gezinsspelletjes (family games) de essentie van het psychotische gezinsfunctioneren zijn.

††††††††††† Vanuit het postmodernismewordt gesteld dat er geen neutraal perspectief is van waaruit dingen geobserveerd kunnen worden. Er is geen onbevooroordeelde, objectieve observatie mogelijk.

De taak van therapie kun je (volgens Lowe 1990) het best opvatten als het ontwikkelen van culturele verhalen. We moeten accepteren dat we vertellers van psychologische en sociale verhalen zijn.

Het doel van therapie moet volgens hem zijn: ideeŽn, beelden en verhalen naar voren brengen die mensen helpen te leven met enige mate van inzicht en waardigheid.

 

Therapie is woorden geven aan dingen die nog niet besproken zijn. Soms moet hij daarvoor dingen benoemen die de cliŽnt nog niet kan benoemen omdat het te veel angst oproept, of omdat het te verwarrend of te pijnlijk is.

Door die dingen te benoemen toont de therapeut dat hij niet bang is om er over te spreken.

Daarbij dient de therapeut voorzichtig om te springen met pathologiserende etiketten. Wanneer enigszins mogelijk dient hij de dingen die gezegd worden te herbenoemen in woorden die de kracht en de groeimogelijkheden van de cliŽnt benadrukken.

Dat betekent niet dat hij blind is voor pathologie. Het betekent wel dat zelfs de pathologie beschreven kan worden op een manier die de mogelijkheden tot groei en verandering van de cliŽnt maximaliseert door de betekenisvolheid en de gezondheid van de pathologie te benadrukken, en door de gekheid van de cliŽnt in de context van zijn huidige ontwikkeling en die van zijn sociale context te zetten.

 

Dialoog.

Een dialogische benadering van een therapeutische relatie impliceert dat niet enkel de cliŽnten, maar ook de therapeut als persoon aanwezig is in de relatie.

Empathisch luisteren is slechts 1 stap in een dans die veel complexer is. Een andere stap in die dans is de therapeut die een dialoog aangaat met de cliŽnt (het cliŽntsysteem) waarin er ruimte is voor een creatief begrijpen. Dit begrijpen gaat verder dan empathisch begrijpen omdat het ruimte maakt voor iets wat er daarvoor nog niet was.

Creatief begrijpen (Mikhail Bakhtin, 1986) verwijst naar een speciaal soort dialoog waarin het verhaal van de ene persoon in contact komt met de betekenissen die opgeroepen wordt bij de andere persoon. Belangrijk is dat er voldoende Ďverschilí is in de dialoog. De therapeut mag niet samenvallen met de cliŽnt.Bakhtin benadrukt daarom het belang van Ďoutsidenessí (buitenheid) in creatief begrijpen. [In order to understand, it is immensely important for the person who understands to be located outside the object of his creative understanding].

Dit verschil maakt een verrijkende dialoog mogelijk.

Creatief begrijpen voegt Ďbuitenheidí toe aan empathie, op die manier dat de complexe dans tussen de therapeut en de cliŽnt (het systeem) er ťťn wordt van nabijheid en afstand, van interventie en reflectie, luisteren en actie.

De vragen van de therapeut zijn diens belangrijkste instrumenten om ruimte te maken voor de cliŽnt en het systeem om te zeggen wat nog niet gezegd is.

In de therapeutische dialoog wordt de buitenheid van de therapeut weerspiegeld in de vragen die bij hem opgeroepen worden in zijn Ďinnerlijk gesprekí.

 

ĎWeten in actieí en ĎReflectie in actieí.

Theoretische kennis en technische vaardigheden volstaan niet. Vaak werk je ook intuÔtief.

SchŲn schreef over deze intuÔtieve acties in het dagelijkse professionele leven en hij gebruikte de term Ďweten in actieí (knowing in action). Hij stelt dat ons weten meestal impliciet is in onze handelingen en in ons intuÔtief aanvoelen van situaties waarin we ons als professionals bevinden. We nemen veel beslissingen zonder er expliciet bij stil te staan of over na te denken. Toch is ons handelen niet toevallig. Het is gekenmerkt door weten. Dat is Ďweten in actieí. Naast dit weten in actie is er ook Ďreflectie in actieí. Deze reflectie in actie toont zichzelf in de duizenden kleine vragen en overwegingen die we onszelf tijdens een gesprek als werker stellen: wat ga ik nu zeggen? Wat betekent dit? Hoe zou ik dit nu het beste aanpakken? We zijn eigenlijk in een Ďinnerlijk gesprekí met onszelf gewikkeld.

De antwoorden op onze innerlijke vragen baseren we niet enkel op expliciete theoretische en filosofische overwegingen, maar ook op de vorm van stilzwijgende kennis (tacit knowledge).

 

Het innerlijk gesprek van de therapeut.

In dialoog met de cliŽnt is de therapeut tevens steeds in dialogische conversatie met zichzelf. Een conversatie die uitgangspunt is van zijn vragen.

In navolging van Bakhtin is het innerlijk gesprek een polyfonie van innerlijke stemmen. Niet enkel de observaties van de therapeut, maar ook wat die observaties bij de therapeut oproepen aan intuÔties, beelden en emoties kan erg bruikbaar zijn in de dialoog.

Wanneer de therapeut in gesprek is met zijn cliŽnten, luistert hij dus tegelijk naar zijn innerlijke stemmen en bereidt hij actief zijn reacties en interventies voor in zijn innerlijke gesprek.

Dit kan op verschillende manieren gebruikt worden in het gesprek.

  1. Het innerlijke gesprek kan gebruikt worden als een gesprek tussen 2 delen van de persoon van de therapeut, namelijk zijn Ďzelfí (wat wordt er bij hem als persoon opgeroepen aan beleving)en zijn Ďrol als therapeutí.
  2. Het innerlijke gesprek kan opgevat worden als een onderhandeling tussen de rol van de therapeut en zijn zelf.
  3. De onderhandeling gaat over welke aspecten van het zelf op welke wijze gebruikt kunnen worden in de Ďexterne conversatieí om ruimte te maken voor wat nog niet gezegd is.

 

Praktische aanbevelingen voorhet gebruiken van persoonlijke ervaringen in de dialoog.

        Stap 1. De werker aanvaardt dat zijn persoonlijke ervaringen die tijdens het gesprek met de cliŽnt (of het systeem) naar voren komen niet betekenisloos en toevallig zijn. Ze kunnen het resultaat zijn van zijn persoonlijk verhaal, maar ze kunnen ook opgeroepen en gevormdzijn door de sociale context waarin ze verschijnen, met name de externe therapeutisch conversatie.

        Stap 2. De therapeut is sceptisch tegenover zijn ervaringen en vraagt zich af: ďZijn mijn ervaringen meer verbonden met mijn persoonlijke verhaal dan met de context van het gesprek?Ē Als ze vooral verbonden lijken met zijn persoonlijke verhaal, zouden ze beter niet in het externe gesprek geÔntroduceerd kunnen worden. Het kan daarentegen soms wel zinvol zijn over deze ervaringen met een collega of een supervisor te praten.

        Stap 3. De therapeut formuleert hypothesen over manieren waarop zijn ervaringen zinvol zouden kunnen zijn voor het gesprek en vraagt zich af of ze ruimte zouden kunnen maken in het gesprek voor wat-nog-niet-gezegd-is.

        Stap 4. Als de introductie van de persoonlijke ervaringen van de therapeut ruimte zou kunnen openen voor wat-nog-niet-gezegd-is, dan zoekt de therapeut naar een constructieve en respectvolle manier waarop deze ervaringen ingebracht kunnen worden in de externe conversatie. Als de therapeut geen constructieve of respectvolle manier vindt, kan het zinvol zijn een collega of supervisor te raadplegen.

Het confronteren en provoceren van de cliŽnt (het systeem) met elementen van Ďzichzelfí kan als bedreigend beleefd worden. Het dient daarom op een constructieve manier te gebeuren en moet steeds gepaard gaan met een ondersteunende houding van de therapeut.

 

Ruimte voor wat nog niet gezegd is.

Therapie zou ruimte moeten maken voor zoveel mogelijk verschillende verhalen, zelfs voor tegenstrijdige verhalen.

Er moet ruimte gecreŽerd worden voor wat-nog-niet-gezegd-is (the not yet said).

Hierbij gaat het om een dubbele betekenis. Ten eerste verwijst het naar de verhalen die nog nooit verteld zijn.De cliŽnten hebben nog geen woorden gevonden waarmee ze hun verhaal kunnen doen.

Ten tweede verwijst hetnaar de verhalen die ooit wel verteld zijn geweest, maar die nooit in de context van het Ďsysteemí besproken zijn. Gezinsgeheimen, de zelfmoord, het delict, de verslaving zijn voorbeelden die dan niet in Ďhet systeemí besproken worden.

Als we in een therapie ruimte willen maken voor Ďwat-nog-niet-gezegd-isí moeten we samen met de cliŽnt (het systeem) een betekeniscontext creŽeren waar respect en empathische erkenning is voor de verhalen die de cliŽnten vertellen.

 

© PAUL BERKERS