Verhalende structuren.

 

 

Michael White beschrijft dat verhalen samengesteld zijn uit tweevoudige landschappen. Een “landschap van actie”(action) en een “landschap van bewustzijn”(identity).

 

Het “Landscape of action” wordt gevormd door

1.      gebeurtenissen die aan elkaar verbonden worden

2.      in een bepaalde volgorde

3.      in een bepaalde tijdsdimensie – verleden, heden en toekomst

4.      volgens specifieke intriges (plots).

In een verhaal levert het actielandschap de toehoorder/lezer een perspectief op de zich afwikkelende gebeurtenissen door de tijd.

 

Het “Landscape of identity” wordt gevormd door de interpretaties van de personages in het verhaal en ook door de interpretatie van de lezer wanneer hij, op uitnodiging van de verteller het bewustzijn van deze personages binnenstapt.

 

 

Externaliseren

 

“Het probleem doet iets!

Met jou en de anderen!

Niet jij bent het probleem,

maar het probleem is het probleem!

 

 

 

Wat kan worden geexternaliseerd?

·         Gevoelens, de jalousie, de angst
Hoe heeft de angst jou overtuigd dat het onveilig is?

·         Problemen tussen mensen -  de kritiek
                                         - de beschuldiging

·         Culturele en sociale praktijken
beschuldigingen van 1 of beide ouders, racisme, heteroseksuele dominantie

·         de ziekte (de anorexia) in combinatie met bijvoorbeeld “de verantwoordelijkheid”.

 


Onderzoek de eigenschappen van het probleem.

Ga eens zoveel als mogelijk is uit de doeken doen van “het probleem”.

 

 

1.      Wat zijn de trucs van het probleem?

2.                                de tactieken

3.                                manieren van handelen

4.                                de manier van spreken (toon, stem, inhoud)

5.                                intenties

6.                                overtuigingen en ideeën

7.                                regels

8.                                doelen

9.                                verlangens

 

10.                            technieken

11.                            dromen

12.                            leugens en misleidingen

13.    Waar houdt het probleem van?

14.    Wat verafschuwt het probleem?

15.    Wie/wat zijn de bondgenoten van het probleem, wie/wat ondersteund het?

16.    Wie/wat zijn de tegenstanders van het probleem?




Onderzoek eens de historie van het probleem.

 

 

a)      Wanneer werd je je voor het eerst bewust van het probleem?

b)      Hoe lang geleden?

c)      Wat herinner je je vóórdat het probleem je leven binnen kwam?

d)      Wanneer was het op zijn sterkst? Wanneer op zijn zwakst?

e)      Wanneer voelde jij je sterker in confrontatie met het probleem?

 

Vragen met wat, waar, wanneer en hoe helpen de conversatie om meer details te verschaffen.

 

 

                   Onderzoek de effecten van het probleem.

 

                        Het probleem is buiten de persoon geplaatst!

 

Hoe beďnvloedt het probleem:

a)      De zelfwaardering van de persoon

b)      je beeld als ouder, partner, broer/zus, verwant, werker

c)      je hoop, dromen, verlangens

d)      je relatie met kinderen, ouders, leden van je sociale netwerk, collega’s

e)      je werk

f)        je sociale leven

g)      je gedachten

h)      je fysieke gezondheid

i)        je gemoedsgesteldheid/gevoelens

j)        je alledaagse leven

 

 

Deconstructie

 

·         Wat zijn de achtergrond aannames (vanzelfsprekende opvattingen) die er voor zorgen dat dit verhaal een zinnig verhaal is.

·         Welke aannames zorgen dat dit verhaal werkt?

·         Welke ideeën zorgen er voor dat mensen zo spreken en doen (rond dit probleem)

·         Welke vanzelfsprekendheden ondersteunen het leven van dit probleem?

·